De mensheid voelt zich heel wat. Het Nederlands elftal lijkt onverslaanbaar, we kunnen bijzonder ingewikkelde medische ingrepen uitvoeren en in Saoedi-Arabië wil men beginnen met de bouw van een 1,6 km hoge toren. Ondanks al ons kunnen hangt het leven van een mens soms aan een zijden draadje. Dat merkte ik gisteren.
Gisterenmiddag besloten R. en ik nog even te gaan zeilen. Het waaide lekker hard en nog niet eerder was de boot in optimale conditie. Gewapend met een trapeze tuig en een dosis enthousiasme zeilden we de plas op. Het waaide wel erg hard en we moesten hard werken om de boot varend te houden. Als de wind te hard is en je dreigt om te slaan is het zaak om je roer naar de wind te sturen en je grootschoot te laten vieren. Dat ging een aantal keren heel goed totdat de ietwat in elkaar gedraaide lijnen van de grootschoot een fractie van een seconde blokkeerden en het zeil niet voldoende ‘open ging’ waardoor de zeilen in het water terecht kwamen en we kapseisden.
Liggend in het water met een regenpak/zeilpak en nog warme kleding daaronder bedenk je wat je kunt doen. De normale procedure is dan om via het zwaard en de vallijn van het grootzeil de mast uit het water te trekken zodat de boot zich weer opricht. Normaal gesproken wordt je daarbij enigszins geholpen door de holle met lucht gevulde ruimten in je boot waardoor deze niet zou kunnen zinken en blijft drijven. Die kamers bleken lek te zijn waardoor de boot volliep en loodzwaar werd.
Gelukkig was er een ouder echtpaar op het water in een motorboot die ons zagen omslaan en zij voeren langszij. Vanuit het water vroegen we hen om een lijn aan de vallijn vast te maken en van ons weg te varen om zodoende met wat meer pk’s de boot recht te trekken. De schipper ging akkoord en vroeg me of ik de lijn even “over wilde zwemmen”. Dat was een grote fout. Ik verliet de nog drijvende boot.
De lijn was snel overgebracht en aangehaakt, de boot kwam omhoog maar de schipper vergat de lijn los te maken en de boot sloeg door naar de andere kant. We lagen nu zeker zo’n 15 minuten in het water waarvan ik er een achttal minuten zwemmend in had doorgebracht. Ineens voelde ik mee doodmoe worden. Mijn armen waren loodzwaar door mijn volgezogen fleece trui en het leek of er een sumoworstelaar op mijn rug zat. Beide boten waren ongeveer 20 meter bij me vandaan en ik merkte dat ik geen energie meer had om te zwemmen. Ik draaide me op de rug hapte mijn longen vol lucht om zo mijn lichaam te laten drijven en even bij te komen. Toen ik dat deed besefte ik de ernst van de situatie.
Ik had te weinig energie om bij één van de boten te komen om me aan vast te houden en raakte in paniek omdat ik besefte dat ik op weg was om te verdrinken. Een vreemd en ellendig gevoel. Ik zwom nog twee meter maar begon kopje onder te gaan en kreeg wat water binnen wat de paniekgolf niet bepaald deed afnemen.
R. was bij de boot gebleven en overzag de situatie. Ik schreeuwde naar de schipper dat ik het niet meer redde. Ik zag op dat moment mijn eigen angst weerspiegeld in het gezicht van de schipper die besefte dat ie nog een eindje moest varen voordat hij bij me was. Uiteindelijk lukte dat. Hij wierp me een reddingsboei toe en haalde me naar de boot. Ik klampte me aan de boot vast maar had te weinig kracht om daar lang te blijven hangen en riep naar de schipper dat hij zijn trapje aan de achterkant moest laten zakken. Na een paar spannende minuten waarbij de schipper de knoop van het touw waarmee de trap vast zat niet loskreeg lukte het uiteindelijk. Ik torste mezelf én de sumoworstelaar aan boord en viel behoorlijk uitgeput en lijkbleek aan boord.
R., die voor hetere vuren heeft gestaan probeerde de boot nog omhoog te krijgen maar dat werd toch te link en we besloten om het zinkende schip achter te laten en naar de haven te varen. Later in de middag ging R. met duikspecialist J. terug naar het gezonken schip en leverde een huzarenstukje door onder water de mast én de zeilen los te maken om zodoende de boot te redden van een eenzame tocht naar de bodem van de Vinkeveense plassen. Hulde! Vooral ook omdat beide heren dit kunststukje uitvoerden in hun blote gat om een droge onderbroek te houden!
Onderweg naar huis moest ik denken aan Psalm 103 (berijmd) waar David dicht: “Geen vader sloeg met groter mededogen op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen, dan Isrels HEER’ op ieder, die Hem vreest. Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten. En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest”.
Vroeger in de kerk heb ik deze psalm vaak gezongen maar nooit eerder werd deze realiteit. Een mens in open water zonder zwemvest (lekker eigenwijs) met dikke kleding aan heeft minder dan 10 minuten nodig om uitgeput te verdrinken. Je levenskracht stelt dan bitter weinig voor.
Ik heb gisteren drie dingen geleerd:
• Draag een zwemvest
• Verlaat nooit je boot. Je maakt geen schijn van kans
en de derde, de meest waardevolle komt uit het begin van psalm 103:
“Loof de HERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, zijn heilige naam;
loof de HERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van zijn weldaden;
die al uw ongerechtigheden vergeeft,
die al uw krankheden geneest,
die uw leven verlost van de groeve,
die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
die uw ziel verzadigt met het goede,
zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend”.
Soli Deo Gloria
